Archief - Tentoonstelling Den Haag 1936

Catalogus van de tentoonstelling
In januari 1936 organiseerde van Deventer's kunsthandel in Den Haag een tentoonstelling van Zandleven's werk. Hieronder de tekst van de uitnodiging en een deel van de recensie in de NRC.
De afbeelding was zwart-wit en is JAZ-1911-006.
_________________________________
JAZ-1911-006

J. A. ZANDLEVEN
(1868 - 1923)

TENTOONSTELLING IN
VAN DEVENTER'S KUNSTHANDEL
NOORDEINDE 49 - DEN HAAG
6 - 31 JANUARI 1936

UITNOODIGING

ZANDLEVEN was een "figuur". Een hartstochtelijk schilder was hij, wiens leven volkomen opging in de overgave van zijn kunst. Zijn kunst heeft een sterk lyrisch karakter. Er is iets dieps, een innerlijke bezonkenheid, zelfs in de meest spontane uitingen. De kleur wordt er door een stralende lichtkracht verheelijkt. Er is in zijn werk een element, waardoor het boven het louter visueele uitkomt.

JUST HAVELAAR.

1. BEUK AAN VIJVER.

2. OPEN PLEK IN BOSCH.

3. ROZEN IN GEMBERPOT.

4. BOSCHRAND.

5. ZINNIA'S.

6. DUIZENDSCHOON.

7. WILGEN.

8. BEMOSTE STAM.

9. BOERENHUISJE.

10. SCHOUW.

11. STAL.

12. BLOEIENDE PEEREBOOM.

13. BLOEIENDE APPELBOOM.

14. BERK

15. PADDESTOELEN.

16. RHODODENDRON.

17. ACHTERHUIS.

18. BINNENPLAATS.

19. KORENSCHOVEN.

20. BERK.

21. LANDWEG.

22. WATERPUT.

23. VIJVEROEVER.

24. SCHUURDEUR.

25. ZONNIG LAANTJE.

26. GERANIUMS.

27. DISTEL.

28. SNEEUWLANDSCHAP.

_________________________________

In de NRC van 22 januari 1936 verscheen een recensie, waaruit het volgende:

.....
Van Gogh's onstuimige bewogenheid - wij denken nu aan zijn jaren te Arles, St. Remy, Auvers-sur Oise - had ruimte noodig; dus zocht zij die. Zandleven, niet zoo diep, niet zoo heftig ontroerd, niet door dermate sterke spanningen gegrepen, had de neiging en de kracht zijn aandoeningen in contemplatie samen te vatten. Hij schilderde geen korenvelden met klaprozen, als gouden zeeën met roode zeilen, maar mijmerde in de stilte van een landschap met roestroode boomen onder een vlakke wade van sneeuw (28). Geen bloedend bloeiende wijn- of olijfgaarden, doch een breed zijn loover uitspreidende beuk aan een vijver, onder den doop van wemelend licht (1). Geen zonnebloemen als vlammen, maar de verstilde pracht van rhodondendronds tegen een bronsbruinen fond (16), of de ingetogen bekoorlijkheid van zachtrose rozen (3). En niet het driftige verlangen van gestrekte populieren, in hartstochtelijken weerzin tegen hun gebondenheid als rillend zich oprekkend naar het oneindige, doch de lijdzame rust van donker bemoste of blank vervellende stammen (8, 14, 20), welke, niet verder omhoogstrevend dan hun het kader van de schilderij vergunt (8, 14, 20), een wijsgeerige gelatenheid schijnen te symboliseren.
  Zandleven's kleur, zeker niet zwak, straalt zelden van de dingen uit, doch geeft er een innerlijke, als verdoken, smeulende warmte aan. Slechts een enkele maal is haar expressie onmiddelijker (het rood der geraniums in no. 26), nochtans ook dan geen uiterlijkheid. Zandleven's factuur, vroeger wel als eigenaardig gequalificeerd, is inderdaad van eigen aard. Zijn toets, ook waar die driftig lijkt beheerscht, stipte nauwkeurig aan, bepaalde en ordende zooals de aandoening, tot overweging bezonnen, het voorschreef.